Banksparen ontslagvergoeding

Hieronder treft u de recente wijzigingen op het gebeid van de mogelijkheden die u heeft met de gouden handdruk of ontslagvergoeding.

In artikel 11a, eerste lid, van de Wet LB 1964 worden de bedragen die ter vervanging van gederfd of te derven loon ten behoeve van een werknemer door een inhoudingsplichtige zijn overgemaakt naar een stamrechtspaarrekening of door hem zijn overgemaakt naar een beheerder van een beleggingsinstelling ter verkrijging van een of meer geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling (stamrechtbeleggingsrecht), gelijkgesteld met bedragen die ten behoeve van een werknemer door een inhoudingsplichtige zijn overgemaakt ter verkrijging van een aanspraak op een periodieke uitkering ter vervanging van gederfd of te derven loon, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet LB 1964.

Een stamrechtspaarrekening is een rekening die wordt aangehouden bij een onderneming of instelling als omschreven in het tweede lid, waarvan het tegoed uitsluitend kan worden aangewend ter verkrijging van periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel, g, van de Wet LB 1964, dan wel met inachtneming van de in het derde en vierde lid opgenomen voorwaarden, kan worden uitgekeerd in termijnen.

Een stamrechtbeleggingsrecht is een recht van deelneming dat wordt aangehouden bij een in Nederland gevestigde beheerder van een beleggingsinstelling aan wie een vergunning is verleend ingevolge de Wet toezicht beleggingsinstellingen, waarvan de waarde uitsluitend kan worden aangewend ter verkrijging van periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, dan wel met inachtneming van de in het derde en vierde lid opgenomen voorwaarden kan worden uitgekeerd in termijnen.

In de laatste volzin van het eerste lid wordt bepaald dat artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 20, van de Wet LB 1964 niet van toepassing is met betrekking tot de in artikel 11a van die wet bedoelde, overgemaakte bedragen. Deze volzin houdt hiermee verband dat met de invoering van een bancaire variant voor loonstamrechten juist een afzonderlijke, met de bancaire lijfrenten overeenkomende categorie aanbieders wordt geïntroduceerd. Deze groep aanbieders wordt in artikel 11a, tweede lid, van de Wet LB 1964 omschreven.

De met de naar de bankinstelling, onderscheidenlijk beheerder overgemaakte bedragen behaalde rendementen moeten op grond van het eerste lid uiteraard worden bijgeboekt op de stamrechtspaarrekening, onderscheidenlijk worden aangewend ter verkrijging van stamrechtbeleggingsrechten. De rendementen kunnen derhalve slechts worden gebuikt voor het verkrijgen van een aanspraak op een periodieke uitkering als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, of moeten worden aangewend overeenkomstig het bepaalde in het derde en vierde lid.

De in het derde en vierde lid opgenomen voorwaarden voor de uitkering in termijnen, zullen nader worden vormgegeven bij ministeriële regeling. Bij deze vormgeving zal uitgangspunt zijn dat de uitkeringen zoveel mogelijk overeenkomen met de uitkeringen die voortvloeien uit een loonstamrecht als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet LB 1964. 68
Vanzelfsprekend is volledige aansluiting niet mogelijk omdat de stamrechtspaarrekening en het stamrechtbeleggingsrecht, anders dan de huidige loonstamrechten, geen verzekeringsproduct zijn.

Het tegoed op de stamrechtspaarrekening en de waarde van de stamrechtbeleggingsrechten kan worden aangewend ter verkrijging van een periodieke uitkering als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet LB 1964. Ingeval het tegoed van de rekening, onderscheidenlijk de waarde van het recht, niet wordt aangewend ter verkrijging van periodieke uitkeringen in vorenbedoelde zin, dan dient uitkering plaats te vinden met inachtneming van het bepaalde in artikel 11a, derde lid, van de Wet LB 1964.

Het derde lid bevat een meer specifieke invulling van de bancaire variant voor loonstamrechten, te weten voor de situatie dat de werknemer of gewezen werknemer op het moment dat de uitkeringen aanvangen nog in leven is (derde lid, onderdeel a) alsmede voor het geval dat de werknemer of gewezen werknemer overlijdt voordat uitkeringen uit het loonstamrecht hebben plaatsgevonden (derde lid, onderdeel b).

Wat de eerste groep (derde lid, onderdeel a) betreft, wordt voorgeschreven dat de aan de werknemer of gewezen werknemer toekomende uitkeringen niet later mogen ingaan dan in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 heeft bereikt. Voorts bevat het derde lid een delegatiebepaling. In de op basis van deze delegatiebepaling vast te stellen ministeriële regeling zal worden bepaald dat de periode tussen de eerste en de laatste uitkering ten minste een vastgesteld aantal jaren bedraagt. Bij het bij ministeriële regeling vast te stellen aantal jaren zal uitgangspunt zijn dat ten minste moet worden voldaan aan het geldende onzekerheidsvereiste. Het aantal jaren zal, met inachtneming van actuarieel geldende normen, mitsdien afhankelijk worden gesteld van de leeftijd (in leeftijdscohorten) van de (gewezen) werknemer.
Wat de tweede groep (derde lid, onderdeel b) betreft wordt voorgeschreven dat bij overlijden van de (gewezen) werknemer, terwijl nog geen uitkeringen zijn gaan lopen, de uitkeringen direct zullen ingaan en worden uitgekeerd aan één of meer van de in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 10, van de Wet LB 1964, genoemde nabestaanden. Voorts geldt ook hier dat de periode tussen de eerste en de laatste uitkering ten minste het bij ministeriële regeling vastgestelde aantal jaren moet bedragen. Indien de uitkeringen toekomen aan de kinderen of pleegkinderen van de (gewezen) werknemer, die ten tijde van het ontvangen van de eerste uitkering jonger zijn dan 30 jaar, geldt overigens dat het aantal jaren nimmer meer kan bedragen dan het aantal jaren dat de gerechtigde jonger is dan 30 jaar. Aldus wordt bewerkstelligd dat in deze gevallen steeds kan worden voldaan aan het voornoemde onzekerheidsvereiste.
Indien op grond van het derde lid de termijnen zijn ingegaan en de gerechtigde overlijdt vóór ontvangst van de laatste uitkering, dan regelt het vierde lid dat het recht op de resterende uitkeringen over gaat op de nabestaanden, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 10, van de Wet LB 1964. De resterende uitkeringen gaan verder op de wijze die voor de werknemer was vastgesteld. Indien er geen nabestaande zijn in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 10, dan regelt het vierde lid voorts dat het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen in dat geval overgaat op de andere erfgenamen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de uitkeringen van een stamrechtspaarrekening of stamrechtbeleggingsrecht kwalificeren als loon uit een vroegere dienstbetrekking en dat de aanbieder van deze producten inhoudingsplichtige is voor de loonbelasting over deze uitkeringen.
69
Artikel III, onderdeel B (artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964)
Voor een toelichting op de wijziging van artikel 13bis van de Wet LB 1964 wordt verwezen naar de toelichting op de wijziging van artikel 3.20 van de Wet IB 2001, zoals opgenomen in artikel I, onderdeel E.
Artikel III, onderdeel C (artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964)
Artikel 19b van de Wet LB 1964 bevat regels die betrekking hebben op de onregelmatige afwikkeling van pensioenregelingen. De werking van artikel 19b is op grond van het achtste lid daarvan van overeenkomstige toepassing op loonstamrechten. Met de voorgestelde wijziging wordt bewerkstelligd dat artikel 19b eveneens van toepassing is op de loonstamrechten die worden geregeerd door het bepaalde in artikel 11a van de Wet LB 1964.
Artikel III, onderdelen D en E (artikelen 20a en 20b van de Wet op de loonbelasting 1964)